"Papa zei: het leven moet doorgaan" - Herinneringen aan de evacuatie van Paula Joosten-Berendsen uit Lobith
Paula Joosten-Berendsen werd geboren in 1931 in Lobith, een dorp in de voormalige gemeente Herwen en Aerdt (nu gemeente Zevenaar). Ze groeide op aan de Boterdijk 12, in een groot, warm katholiek gezin met vijftien kinderen. Eén van de baby’s overleed helaas jong aan een longontsteking. Haar ouders deden er alles aan om hun kinderen een goede jeugd te geven, ondanks de moeilijke tijden.
80 jaar geleden werd Nederland bevrijd. In de aanloop daarnaartoe vonden in de Liemers hevige gevechten plaats. Tijdens de winter van 1944-1945 moesten duizenden inwoners noodgedwongen vluchten voor het oorlogsgeweld. In deze serie deelt het Cultuur- en Erfgoedpact persoonlijke herinneringen aan deze evacuatie, als onderdeel van de herdenking van 80 Jaar Vrijheid in de Liemers.

Paula Joosten-Berendsen op haar trouwdag
Kinderen, opstaan! Het is oorlog!
Toen de oorlog begon, was Paula net negen jaar. Ze herinnert zich die ochtend nog woord voor woord. “Kinderen, opstaan, aankleden en naar beneden komen! Het is oorlog,” riep haar vader luid vanaf de trap. Buiten klonken explosies en de lucht was zwart van de vliegtuigen. Ze moesten meteen hun bed uit, zich aankleden en naar beneden komen. Even later stonden ze buiten, dicht bij hun vader. “We mochten alleen mee naar buiten als we dicht bij hem bleven.” Vanaf daar zagen ze een eindeloze stoet Duitse soldaten marcheren. “Honderdduizend soldaten,” herinnert Paula zich. Sommige soldaten aaiden haar kleine zusje, dat nog maar een baby was, over de wang. “Zielig,” zegt Paula daar later over. “Dat zijn soldaten die niet willen, maar moeten.”
Toen de eerste schrik voorbij was, zei haar vader nuchter: “En nu gaat het leven gewoon verder.” Hij had zelf als jonge man gevochten in de Eerste Wereldoorlog (1914–1918) en wist hoe belangrijk het was om kalm te blijven. “Als er een bombardement is, ga je naar binnen,” zei hij. Achter het huis maakte hij een eenvoudige schuilkelder. Die bood niet alleen onderdak aan zijn eigen gezin, maar ook aan de buurman, die geen veilige plek had. “Het stelde misschien niet veel voor,” zegt Paula, “maar het gaf toch rust.”

L: De vader van Paula Joosten-Berendsen in militair uniform, circa 1914-1918.
Hulp uit onverwachte hoek
Niet lang na de bezetting werden Paula’s oudere broers opgeroepen voor de Arbeitseinsatz: gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Broer Nol moest naar Hamburg, Gerrit naar Oberhausen en Bertus naar Kleef. Paula wist toen nog niet wat dit precies betekende, maar het voelde wél als iets heel dreigends. “Dat vergeet ik nooit meer, toen ze hier weg moesten,” zegt ze. “Het was hartverscheurend.” Vooral Gerrit had het zwaar — hij besloot onder te duiken, in het geheim. Zelfs hun moeder wist van niets. Alleen Paula’s vader kende zijn schuilplek. Hij had in de hooiberg achter het huis een gat gemaakt waarin Gerrit zich verstopte. Haar vader bedacht een slim systeem om contact te houden. ’s Nachts werd er een teken voor het raam gezet. Alleen als dat teken er stond, wist Gerrit dat het veilig was om naar huis te komen.
Op een avond kwamen twee Duitse militairen het huis binnen, op zoek naar Gerrit. Toen ze hem niet vonden, besloten ze haar vader mee te nemen. Paula’s moeder smeekte om hem te laten blijven. “We huilden allemaal,” vertelt Paula. Toen greep hun buurman in — een Duitser met wie ze sinds het uitbreken van de oorlog geen contact meer hadden gehad. Hij sprak met de soldaten en even later zeiden de soldaten: “Je man mag blijven.” “Goed dat mama niet wist waar mijn broer zat,” zegt Paula. “Anders had ze misschien ten einde raad teveel gezegd.”
Naarmate de oorlog vorderde, kwam het geweld steeds dichterbij. Rond het huis sloegen bommen in. “Er zijn drie bomen vóór ons huis gevallen en twee erachter,” herinnert Paula zich. Zelfs binnen was het niet veilig: er kwamen scherven op een kussen terecht waar ze sliepen.
Evacuatie naar Aerdt
Toen het gezin moest evacueren, kwam Gerrit op het afgesproken moment uit zijn schuilplaats. Paula’s vader regelde vervoer via een boer bij wie hij eerder voor niets had gewerkt in ruil voor meel en melk. Met paard en wagen vertrokken ze — eerst naar Aerdt, het naastgelegen dorp, dat op dat moment nog niet geëvacueerd hoefde te worden.
Daar kwamen ze terecht op een boerderij waar ook Duitse soldaten waren ingekwartierd. Omdat het gezin meerdere dochters bij zich had, mochten ze in de schuur blijven — op voorwaarde dat de meisjes voor de soldaten zouden koken. Paula’s vader ging akkoord, mits er ook voor het gezin zelf gekookt mocht worden. Dat werd toegestaan en zo had het gezin gelukkig voldoende te eten.
Tijdens hun verblijf in Aerdt verbleef Paula’s broer samen met een vriend op een nabijgelegen boerderij. Ze mochten daar tijdelijk wonen, op voorwaarde dat ze hielpen om het vee te verzorgen. Paula ging op bezoek — en precies terwijl ze daar zat, sloeg er een kogel in, vlak naast haar. “Daar hing net mijn jas,” zegt ze. Die was pas vermaakt. Het scheelde maar een heel klein stukje. De schrik zat er goed in. Haar vader besloot dat het niet langer veilig was en dat ze moesten vertrekken. De oorlog kwam te dichtbij.
Verder vluchten naar Didam
Opnieuw kregen ze hulp van een bekende boer en konden ze met paard en wagen verder reizen — een zeldzaam geluk in die tijd, want de meeste evacuees moesten lopend op de vlucht. De tocht ging naar Didam, naar een tante van Paula, de zus van haar vader.
In Didam was het ook niet zonder gevaar. Paula liep er met een vriendin door de straat, toen er sluipschutters actief bleken te zijn. “We zagen ze lopen,” vertelt ze. Een vrouw trok hen plotseling een huis binnen. “Ze kunnen jullie ook neerschieten,” waarschuwde ze. Paula en haar vriendin hadden er niet eens bij stilgestaan hoe gevaarlijk het was.
Omdat er kinderen in het huis van Paula’s tante tuberculose hadden, besloot de vader van Paula dat ze toch verder moesten gaan. Voor het gezin van Paula, met nog jonge kinderen, was het een te groot risico om te blijven. “Papa zei: wij moeten hier weg,” vertelt Paula. “Wij hebben kleine kinderen”.
Eerst leek een oplossing gevonden in Borculo: een huisje waar de jongste kinderen zouden kunnen verblijven. Maar de kleine kinderen wilden niet van de rest van het gezin gescheiden worden. “Ze begonnen te huilen en te schreeuwen,” vertelt Paula. “Ze wilden niet zonder vader en moeder.” Haar vader zocht daarom verder en vond al fietsend in de buurt een leegstaand kippenhok. Dat werd hun nieuwe onderkomen. Haar twee oudste zussen, toen achttien en twintig jaar oud, maakten het hok schoon en richtten het zo goed mogelijk in.
Samen in het kippenhok
De bevrijding beleefde het gezin Berendsen in dat kippenhok in Didam. De kleine kinderen sliepen achterin, op door vader gemaakte bedjes van stro en oude jassen. De oudere kinderen sliepen in een zoldertje boven de stal, boven de geiten. “Warm was het wel,” zegt Paula. “En we waren tenminste samen.” Het leven in het kippenhok was primitief, maar had ook iets geks vertrouwds. “Het leek soms net kamperen,” zegt Paula. Met stro, oude jassen en dichtgemaakte gordijnen maakten ze er samen het beste van.
Haar vader deed er alles aan om zijn gezin veilig te houden. Hij werkte in ruil voor eten en huurde een stukje grond om aardappelen en groenten op te verbouwen. Iedereen moest meehelpen, bijvoorbeeld met aardappels rapen. “Bij papa zat je niet stil. Hij zei: handen uit de mouwen!” Er werd ook geruild om aan spullen te komen. Geld had weinig waarde. Voor een stuk spek of worst kon je soms kleding krijgen. Zo kreeg Paula een communiejurk in ruil voor eten — iets wat in die tijd heel bijzonder was. Wat was ze daar blij mee!
Ondanks alles wist het gezin ook te lachen. Broer Gerrit, haalde graag grapjes uit. “Dan deed-ie alsof er vliegtuigen aankwamen en moesten we allemaal plat op de grond,” vertelt Paula. Of hij deed de geiten na — “Meeeh!” — en dan moest je toch weer lachen.
Bevrijd!
De bevrijding was één groot feest. In het dorp dansten de meisjes met de Engelse soldaten — de ‘Tommies’, zoals ze werden genoemd. Ze moesten eigenlijk 18 jaar zijn om de danszaal binnen te mogen. Paula was pas 14, maar dat hield haar en haar klasgenootjes niet tegen. “Je mocht eigenlijk van alles niet,” zegt ze, “maar toen deden we het gewoon. En we oogden vrij flink voor onze leeftijd.” Tijdens het dansen ontstond soms spraakverwarring. De meeste mensen spraken toen nog nauwelijks Engels. Paula herinnert zich haar klasgenootje Koba die trots vertelde dat een soldaat haar leuk vond. Wel jammer was dat hij vond dat ze zo zweette. Paula’s zus moest helpen vertalen. “You are my sweetheart”, had de soldaat tegen Koba gezegd. Paula moet er nu nog om lachen. Ze dacht dus dat hij bedoelde dat ze zweette van het dansen: Jij zweet hard. “Maar dat betekende natuurlijk: je bent m’n lieverd”. Voor even leken alle zorgen ver weg.
Toch waren er ook moeilijke momenten. Na de bevrijding werden vrouwen die met Duitse soldaten waren omgegaan publiekelijk vernederd. Paula zag het zelf gebeuren: vrouwen met kaalgeschoren hoofd op een wagen door het dorp. “Dat vond ik zó erg,” zegt ze.
De foto is waarschijnlijk genomen rond 1945, in de periode na de bevrijding. Paula is hier nog jong, maar oogt al vrij volwassen — precies zoals ze zelf vertelt over de tijd dat ze met de Engelse soldaten ging dansen.
Terug naar een verwoest huis in Lobith
Het gezin Berendsen bleef tot na de bevrijding in het kippenhok. Daarna konden ze pas terugkeren naar Lobith. Van hun oude huis was niet veel meer over. Als de broers die tewerkgesteld waren in Duitsland na de oorlog terugkomen, is het verschil groot. Bertus, die bij een boer in Kleef werkte, komt vrij snel na de bevrijding thuis en ziet er nog redelijk uit. Maar het duurt lang voordat Nol, die in Hamburg in een fabriek heeft gewerkt, thuiskomt. Hij is nauwelijks te herkennen, mager en met een lange baard. Hij wordt thuisgebracht met de bus en heeft het zichtbaar zwaar gehad. Gelukkig is het gezin compleet en hebben ze elkaar nog.
Familiefoto van de familie Berendsen. Paula staat achter haar vader, als 6de persoon van rechts
Paula kijkt met gemengde gevoelens terug op de oorlog. Er was angst, verdriet, onzekerheid, maar ook saamhorigheid, vindingrijkheid en humor. “Wij hadden niks,” zegt Paula. “Maar we hadden elkaar.” Haar vader hield het gezin altijd samen. Wat er ook gebeurde, hij bleef rustig en praktisch. “Papa zei altijd: het leven moet doorgaan.”
Interviewer: Anna van Velzen | Auteur: Bibi BodegomBenieuwd naar hoe Paula haar verhaal vertelt? Luister dan naar aflevering 12 van de podcast Kind op de vlucht – Herinneringen aan de evacuatie van de Liemers 1944-1945 op YouTube, Spotify of Apple Podcasts.
Dit verhaal is onderdeel van 'Evacuatieverhalen van de Liemers', een oral history project van het Cultuur- en Erfgoedpact van de Liemers in samenwerking met de gemeenten Duiven, Westervoort en Zevenaar, Kunstwerk! Liemers Museum, Nomansland Pictures en de historische verenigingen in de Liemers. Een serie indrukwekkende en persoonlijke verhalen van mensen die als kind de Tweede Wereldoorlog meemaakten en eind 1944 moesten vluchten voor het oorlogsgeweld. Op onze website lees je alle verhalen, en in de podcast 'Kind op de vlucht' komen 15 van de getuigen zelf aan het woord.
Persoonlijk