Toegankelijkheid

Terug naar hoofdinhoud

“We moesten vluchten… en ik mocht niet op de kar” - Herinneringen aan de evacuatie van Mini Peet-Groenen uit Tuindorp

In januari 1945 kreeg iedereen in Tuindorp bij Lobith het bevel om te evacueren. Het werd te gevaarlijk in het gebied. Er vlogen vliegtuigen laag over, er vielen granaten en de dreiging werd steeds groter. De achtjarige Mini Peet-Groenen (1937)  moest samen met haar vader en haar zusje vluchten. Hun tocht ging te voet, met een handkar met wat kleding, via Didam naar Neede in de Achterhoek.

80 jaar geleden werd Nederland bevrijd. In de aanloop daarnaartoe vonden in de Liemers hevige gevechten plaats. Tijdens de winter van 1944-1945 moesten duizenden inwoners noodgedwongen vluchten voor het oorlogsgeweld. In deze serie deelt het Cultuur- en Erfgoedpact persoonlijke herinneringen aan deze evacuatie, als onderdeel van de herdenking van 80 Jaar Vrijheid in de Liemers.

Mini Peet-Groenen (2025)

 

Opgroeien bij opa en oma in Tuindorp

Mini Peet-Groenen (1937) wordt geboren in Tuindorp. Haar moeder moet in 1941 naar een sanatorium omdat ze tuberculose heeft. Daarom wonen de meisjes vanaf dat moment bij hun opa en oma. Mini heeft nog een paar hele vroege herinneringen van voordat haar moeder opgenomen werd. Zo ziet ze zichzelf als klein meisje, samen met haar zusje aan de hand van haar oma. Haar oma had net nieuwe kniekousjes voor hen gehaakt. “Ik weet nog dat ik ze liet zien,” vertelt ze. “Moeke stond boven uit het raam te kijken.” Het zijn kleine beelden, van vóór haar vierde verjaardag, die haar zijn bijgebleven.

In het huis van opa en oma woonde nog meer familie: drie tantes en een oom, die zelf nog jong waren. Sommigen scheelden maar een paar jaar met Mini. Daardoor voelde het alsof ze opgroeide in een groot gezin. Vader woonde schuin aan de overkant van de straat, apart van hen. Hij werkte op de scheepswerf en werd niet tewerkgesteld, omdat hij voor zijn twee kinderen moest zorgen. Opa werkte op de steenfabriek. “Ik heb een hele fijne jeugd gehad,” vertelt ze. “We hadden niks, maar we speelden altijd buiten, met alle kinderen uit Tuindorp, protestants en katholiek door elkaar.”

Ondanks de oorlog voelde ze zich als kind meestal veilig. “Als er granaten vielen, doken we thuis onder de vensterbank. We sliepen beneden in de woonkamer, voor de veiligheid. Op school moesten we bij luchtalarm de kelder in. Dan lagen we daar samen met de hele klas. “Op het moment zelf was je wel even bang,” zegt ze. “Maar dat was ook zo weer voorbij. Er werd ook gelachen, bijvoorbeeld toen mijn tante haar schoenen vergeten was en op mijn schoenen moest staan in de schuilkelder!”

Aan het eind van de oorlog was er nauwelijks eten weet Mini nog. “We kregen soms nog een klein beetje boter, maar alleen mijn opa, omdat hij werkte.” Soms gingen ze met een kussensloop langs boerderijen om graan of eten te vragen.

Een moeilijke keuze

Toen het evacuatiebevel kwam, moest iedereen in Tuindorp vertrekken. Mini zat toen nog maar net op school. Ze herinnert zich vooral dat het snel moest. Op dezelfde dag kreeg haar oma het vreselijke nieuws dat haar zoon in Duitsland was omgekomen. Maar er was geen tijd om te rouwen: ze moesten weg. De hele familie – opa, oma, hun kinderen, Mini, haar zusje en hun vader – vertrok samen. De eerste nacht sliepen ze allemaal in een steenfabriek bij Tolkamer. De volgende dag gingen ze verder.

Toen kwam er een splitsing. Mini’s vader wilde doorlopen, richting Groningen, waar hij kennissen had. Haar opa en oma bleven liever dichterbij. Zij bleven met de rest van het gezin in Didam. Mini, haar zusje en hun vader liepen alleen verder. Mini weet nog dat haar vader een handkar bij zich had. Daarop waren wat spullen geladen, wat kleding, klompen of schoenen en een beetje eten. "We hadden niet zoveel en dat was ook het enige wat we mee konden nemen."

“Mijn vader wilde naar vrienden in Groningen. Maar opa en oma wilden niet zo ver weg. Die zijn in Didam gebleven. Wij zijn toen verder gelopen.” In Didam liep haar vader een klein sigarenwinkeltje binnen om te vragen of ze mochten overnachten. Eerst was er geen plek, maar toen de vrouw hoorde dat hij onderweg was naar Groningen – waar zij zelf vandaan kwam – mochten ze toch blijven slapen. Die nacht sliepen ze zittend in grote leunstoelen.

Sigarenwinkel van Machiel Muiser aan de Spoorstraat in Didam, waar Mini met haar vader en zusje de nacht doorbrengt

Een gevaarlijke tocht

Ze liepen langs Lobith, Herwen, Babberich, Zevenaar en Didam, richting Ruurlo en uiteindelijk naar Neede. Een tocht van ongeveer 60,8 km. Tussen Zevenaar en Didam, wilde Mini even rusten en iets eten. Haar vader stelde voor om door te lopen tot een boerderij verderop. Ze gingen daar op een bankje zitten. “En toen werd de hele weg onder vuur genomen,” vertelt ze. “Als wij daar hadden gelopen, had ik hier nu niet gezeten.”  Ook op een ander moment, toen ze nog met haar tante op pad was, moesten ze ineens de sloot induiken om te schuilen omdat er vliegtuigen op hen schoten. "En daar liepen meer evacuees. Of er iemand geraakt is durf ik niet te zeggen."

Mini liep het hele stuk zelf, haar zusje mocht af en toe op de kar zitten. Het zusje van Mini was anderhalf jaar jonger. “Misschien mocht zij daarom wel zitten en ik niet.” Het zit haar nog altijd een beetje dwars, al zegt ze het met een glimlach.

Ondergebracht bij een boer in Neede

In Ruurlo sliepen ze op stro in een schoolgebouw. Daarna reisden ze met paard en wagen verder naar een boerderij tussen Neede en Diepenheim. “In Neede weet ik nog dat er allemaal paard en wagens stonden, ook een paard en wagen met de nonnen van Lobith erop. En die werden allemaal opgevangen door mensen die daar woonden. Ik weet nog dat er een non van de kar afviel. Die zie ik nog zo achter ons gebeuren.” 

Eerst verbleven ze een maand bij een boer waar ze zich niet welkom voelden. Ze kregen daar ondermelk (magere, afgeroomde melk) en moesten apart eten. Daarna werden ze opgevangen door boer Meulenkamp, een warm en gastvrij gezin. “Ze hadden een zoon, Eef, en een dochter, Mina, die op het punt stond te trouwen. We sliepen boven met zijn drieën op een slaapkamer. En we kregen hetzelfde eten als zij en mijn vader hielp mee op het land. We waren echt kind aan huis.” De boerderij lag tussen Neede en Diepenheim in. Een heel stuk een zandpad in. Mini ziet de boerderij nog voor zich. Het was niet zo'n grote boerderij.

Toch was het ook daar niet altijd veilig. Op een gegeven moment moest haar vader met de boerenzoon een paard en wagen afleveren bij de Duitsers. Onderweg wisten ze samen weg te glippen. “Anders hadden ze mee gemoeten naar Duitsland,” vertelt Mini. Een andere dag kwam er een Duitse soldaat de boerderij binnen. “Mijn vader en de boerenzoon keken elkaar aan – ze wilden hem pakken. Maar toen kwam er een tweede soldaat achteraan. Als ze iets hadden geprobeerd, waren ze eraan gegaan. Gelukkig deden ze niks. Maar dat moment vergeet ik nooit.”

Mini speelde met andere kinderen in de buurt, verstoppertje tussen de schoven hooi. Als er geschoten werd, moesten ze tegen diezelfde grote schoven gaan staan om te schuilen. “We deden van alles. We waren altijd buiten.” Toen kwam de bevrijding. Engelse en Canadese soldaten trokken langs de boerderij in Neede. Mini kreeg een stukje chocola van een soldaat. “We wisten niet eens wat het was – we zaten ernaar te kijken: wat moeten we ermee?”

Terug naar een ander thuis

Na de bevrijding konden ze terug naar huis, naar Tuindorp. Hoe precies, weet Mini niet meer – waarschijnlijk met paard en wagen. De weg terug lag vol kuilen van granaatinslagen. Overal waren sporen van de gevechten zichtbaar. Ze herinnert zich het moment dat ze hun straat weer binnenliepen nog heel goed. “Mijn zusje en ik riepen keihard naar opa en oma. We waren zó blij om ze weer te zien.” Maar hun huis was weg. Gebombardeerd. Alles was verloren – alleen een plantenstandaard stond er nog. Die is altijd bewaard gebleven. De tantes van Mini hadden poppenwagentjes voor de meisjes gemaakt. Een klein gebaar, na alles wat er verloren was gegaan.

 Plantenstandaard overeind 2De plantenstandaard die het bombardement overleefde – en sindsdien bewaard is gebleven in de familie.

Het gezin kreeg een nieuw huis, aan de overkant van de straat bij oma. In 1947 kwam hun moeder eindelijk terug uit het sanatorium. “We hadden niks meer, maar we kwamen er weer bovenop. En ik heb nooit het gevoel gehad dat ik honger heb geleden. We hadden niet veel – wortels als schooltraktatie, geen snoep, geen fiets – maar we kwamen niks tekort.”

Mini was goed op school, hield van sporten en had grote dromen: ze wilde onderwijzeres of gymlerares worden. Maar ze herinnert zich ook het onrecht: na de oorlog mocht ze niet over naar de volgende klas, terwijl ze bij de beste vijf van haar klas hoorde. Anderen mochten wel door, omdat hun ouders ‘meer voorstelden’. Het zit haar nog altijd niet lekker.

Toch kijkt ze terug op de oorlogstijd met warme gevoelens. “Ik vond het spannend, maar ook gezellig. We waren samen. En dat ik niet op de kar mocht zitten, ja… dat vergeet ik nooit meer.”

Interviewer: Anna van Velzen Auteur: Bibi Bodegom

Benieuwd naar hoe Mini haar verhaal vertelt? Luister dan naar aflevering 10 van de podcast Kind op de vlucht – Herinneringen aan de evacuatie van de Liemers 1944-1945 op YouTube, Spotify of Apple Podcasts.

Dit verhaal is onderdeel van 'Evacuatieverhalen van de Liemers', een oral history project van het Cultuur- en Erfgoedpact van de Liemers in samenwerking met de gemeenten Duiven, Westervoort en Zevenaar, Kunstwerk! Liemers Museum, Nomansland Pictures en de historische verenigingen in de Liemers. Een serie indrukwekkende en persoonlijke verhalen van mensen die als kind de Tweede Wereldoorlog meemaakten en eind 1944 moesten vluchten voor het oorlogsgeweld. Op onze website lees je alle verhalen, en in de podcast 'Kind op de vlucht' komen 15 van de getuigen zelf aan het woord.

Persoonlijk